Langer doorwerken wordt nog een hele klus

Door: Jan Laurier (1) 

‘Doorwerken na 65 jaar is voor velen niet mogelijk. We zijn er niet klaar voor’, zei bedrijfsarts en bestuurder van de NVAB (Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde) Ernst Jurgens op 3 januari in het AD.

Dit is een herkenbaar beeld. In Nederland zijn we begonnen de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen voor iedereen en daarna pas gaan nadenken wat de voorwaarden en condities daarvoor waren. Eén van de architecten van verantwoord langer doorwerken – prof. dr. Juhani Ilmarinen in Finland – gaf tijdens een masterclass van Blik op Werk over duurzame inzetbaarheid al aan dat Nederlanders eerst invoeren en dan gaan nadenken over de consequenties. In Finland doet men dat anders.                                                                     

In deze blog gaat het over de relatie tussen langer moeten doorwerken en de feitelijk kunnen doorwerken voor mensen met een slecht of matig werkvermogen. 

 

Moeten, willen en kunnen

We moeten met zijn allen langer doorwerken. De onmogelijkheid voor velen om langer door te werken na hun 65e werd door TNO onderstreept naar aanleiding van het AD-artikel via Twitter. Het onderzoeksbureau zegt dat geen enkele beroepsgroep in enquêtes aangeeft langer te kunnen doorwerken dan de leeftijd van 65 jaar. Wens en mening versus feitelijke (on)mogelijkheid van geïnterviewden lopen hier evenwel door elkaar. Vrijgesteld van arbeid om in het levensonderhoud te voorzien is voor velen een groot goed. Maar het is wezenlijk iets anders dan niet meer kunnen werken omdat geest en lichaam het niet meer kunnen opbrengen. 

 

Meten en weten

In Finland, waar de pensioengerechtigde leeftijd al sinds tijden wordt verhoogd, pakt men dat anders aan. Al in de jaren tachtig van de vorige eeuw is in Finland een instrument, de Workability Index (WAI), ontwikkeld om te meten in welke mate een werknemer in staat is zijn of haar werk lichamelijk en geestelijk gezond uit te voeren. Dit is het werkvermogen. De WAI meet het werkvermogen en is als meetinstrument veelvuldig in internationale onderzoeken wetenschappelijk gevalideerd. Aangetoond is dat de WAI een hoge voorspellende waarde heeft voor ziekteverzuim, productiviteitsverlies en arbeidsongeschiktheid (2).

In Finland is het gemeengoed in personeelsbeleid om een slecht, matig, goed en uitstekend werkvermogen te koppelen aan interventies om het werkvermogen te herstellen, te verbeteren, te ondersteunen respectievelijk te behouden. Zowel op individueel als op bedrijfsniveau. En het is verboden om de WAI in te zetten als selectiecriterium. Door de WAI op deze manier in te zetten, heeft Finland zich tijdig voorbereid op een vergrijzende arbeidsmarkt. 

 

Onderzoek naar werkvermogen

Uit internationaal en Nederlands onderzoek weten we dat wie een slecht of matig werkvermogen heeft, een aanzienlijk grotere kans heeft om zijn of haar pensioen niet werkend te halen.

      Van de bouwvakkers met een slecht werkvermogen stroomt 33% in de WIA. Bij een matig werkvermogen is dat 9% en wanneer het werkvermogen goed is slechts 1% (Alavinia, 2008).

      Uit eerder onderzoek onder bouwvakkers van 40 tot 60 jaar bleek dat degenen met een slecht werkvermogen een ruim 20 keer zo’n hoge kans hadden om binnen twee jaar arbeidsongeschikt te worden (De Zwart e.a., 2001).

      Uit onderzoek in Finland onder bouwvakkers tussen de 40 en 65 jaar blijken werknemers met een slecht werkvermogen een 10 keer hoger risico hebben om binnen vier jaar arbeidsongeschikt te raken (Liira e.a., 2002).

      Bij driekwart van de Finse schoonmakers die met vroegpensioen gaan, was in de voorgaande jaren een slecht of matig werkvermogen gemeten (Hopsu e.a., 2005).

      Bij normaal gepensioneerde schoonmakers bleek 25% een slecht tot matig werkvermogen te hebben (Salonen e.a., 2003).

Kortom, werknemers met een slecht of matig werkvermogen lopen een groot risico hun pensioengerechtigde leeftijd niet werkend te halen. 

 

Werkvermogen in Nederland

Hoe zit het dan specifiek met het werkvermogen van de Nederlandse beroepsbevolking?

Daar kan Blik op Werk wat over zeggen. We zijn de nationale licentiehouder van de WAI voor de Nederlandse taalgebieden en slaan de resultaten van ingevulde WAI-vragenlijsten geanonimiseerd op in een database. Inmiddels hebben we de gegevens van ruim een kwart miljoen werkende werknemers geanonimiseerd opgeslagen. Daarmee beschikken we over ‘s werelds grootste database op dit terrein.

Kijken we naar de gegevens uit onze WAI-databank, dan blijkt 13,1% van de werkenden in Nederland een slecht tot matig werkvermogen te hebben. Zij lopen dus een verhoogd risico het arbeidsproces voortijdig te moeten verlaten.

In de WAI wordt ook de vraag gesteld hoe men het eigen werkvermogen beoordeelt ten opzichte van de fysieke eisen die de functie vraagt. De leeftijdsgroep tussen de 55 en 65 jaar is daar het somberst over: 12,2% noemt die matig tot slecht. Deze eigen inschatting is een goede indicator voor het feitelijke werkvermogen. 

Extrapoleren we dit percentage naar de totale groep van 1.356.000 werkenden in Nederland tussen 55 en 65 jaar dan zijn er zo’n 165.000 werknemers die zich daadwerkelijk zorgen moeten maken of zij hun functie in de komende jaren nog wel kunnen blijven uitoefenen, laat staan langer door kunnen werken

 

Ongelijke kansen

Jurgens noemt uit het oogpunt van bedrijfsartsen twee belangrijke variabelen: de aard van het werk (fysiek of niet) en het opleidingsniveau. Tussen beiden bestaat een evidente relatie. Mensen met een laag opleidingsniveau hebben doorgaans functies die een hoge mate van fysieke inspanning vereisen. Ook hier blijkt uit de gegevens van onze WAI-databank dat er grote verschillen zijn in het werkvermogen:

      Van de lager opgeleiden (tot en met eindniveau MAVO) heeft 23,7% (bijna een op de vier!) een slecht tot matig werkvermogen, terwijl dit voor de hoger opgeleiden 11,8% is.

      Kijken we naar de aard van het werk, dan zien we een soortgelijk beeld. Van diegenen die vooral fysieke arbeid verrichten, heeft 19,6% een slecht tot matig werkvermogen tegenover 11,2% van hen die vooral geestelijke arbeid verrichten. 

We moeten met z’n allen langer doorwerken, maar de kansen omdat ook te kunnen, zijn ongelijk verdeeld. Langer doorwerken is bepaald geen ‘one size fits all’. Om van langer doorwerken een succes te maken, is meer nodig dan goedbedoelde oproepen van de overheid, ‘good practices’ en speciale weken met aandacht voor duurzame inzetbaarheid. Of een speciale week met aandacht voor werkstress veel minder gestreste werknemers oplevert, mag worden betwijfeld.

Langer doorwerken vereist gerichte maatregelen om mensen daar tijdig op voor te bereiden, niet als zij al klachten hebben. Het vereist gerichte interventies van werkgevers en overheden om het werkvermogen van mensen op peil te brengen en te houden, tegelijkertijd ook meer pro-activiteit van werknemers en hun belangenbehartigers. Laten we leren van de succesvolle praktijk van onze koude bovenburen.  

Jan Laurier

voorzitter stichting Blik op Werk

  1. Met dank aan Leon Hupkens voor bewerking van de WAI-data voor dit artikel.
  2. Klik hier voor de Nederlandse praktijk in de publicatie van Tilja van den Berg. 

 

Advertenties

Geplaatst op 6 januari 2017, in statistiek. Markeer de permalink als favoriet. 4 reacties.

  1. Helder artikel met mooie onderbouwing.

  2. Zeker goed om over grenzen te kijken. Mij boeit de vraag: Hoe passen we het toe?
    Mijn gedachte denkrichting:
    Arbeidsmobiliteit creëren.
    – Doel: een switch maken van je werkveld.
    – Methodiek: onderkenning van je competenties en die leggen naast je passie.
    – Ondersteuning door toepassing ePortfolio met gerichte ondersteuning.
    – Hoe werkt het: Koppeling vanuit je ePortfolio aan diverse ondersteunings tools & zoekmachines voor passend (ander) werk.

    Meer weten over hoe ik het zie?
    Mail of bel
    0617421815
    http://Www.futureproved.nl

  3. Verhelderend artikel met hoge toegevoegde waarde. Want het wordt ‘inderdaad nog een hele klus’.

    De Nederlandse polder aanpak – eerst invoeren en daarna nadenken – pakt verkeerd/contra productief uit – net zoals de ‘flewx/wwz wet bijvoorbeeld. Mooie typering overigens.

    En inderdaad: met ‘mooie babbels’ komen we er niet. Ook en vooral de bedrijfsartsen kunnen/moeten aan de bak – op individueel niveau(medewerker), maar vooral ook op organisatie /bedrijven en beleidsmatig niveau.

    Ondersteunende munitie is te vinden in proefschrift van Bastian Ravesteijn, die stelt dat juist bij de zware beroepen mensen eerder moeten omscholen – op basis van gezondheidkundig advies. ( gewoon even googlen – mei 2016)

    De tijd van vrijblijvende en goed bedoelende woorden is voorbij. De bijl erin met inderdaad gerichte maatregelen. Als ankeiler gebruik ik de schijf van vijf van duurzame inzetbaarheid – handige tool, harde cijfers krijg je met wai, en daarna begint het duw en trek werk met zowel het individu als organisatie. Coachend adviseren heet dat in management taal.

    afsluitend: er is dus werk aan de winkel. heel veel werk.

    Dolf Algra
    zelfstandig bedrijfsarts – publicist

  4. Goed stuk. De insteek was toch sowieso van de overheid financieel belang? Uitstellen pensioenleeftijd bespaart de overheid geld. Als je eerder wilt stoppen, bekostig je het zelf maar. Zoiets toch? Ik heb nooit begrepen dat de primaire insteek van de overheid voor het verhogen van de pensioenleeftijd was dat mensen fysiek best langer kunnen doorwerken…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: